De preek van twee duiven op een lentedag – John Lapré

11
feb

De preek van twee duiven op een lentedag – John Lapré

Heel lang heb ik lentes verafschuwd. In wat misschien wel de mooiste jaren van mijn jonge leven hadden moeten zijn – zo tussen m’n 15e en 25e – trok ik op stralende lentedagen vaak met een snik de gordijnen open. Ik herinner me hoe ik eens in woede ontstak, toen ik twee duiven op een tak het heel gezellig zag hebben samen. Ze adoreerden elkaar, voor het oog van de hele wereld. Ze gaven elkaar kopjes, vlogen soms elk even een andere kant op, maar kwamen altijd weer thuis. Daar op die tak werd het leven gevierd.

Achter mijn woede schuilde onmacht en groot verdriet. Het liefst zou ik die hele boom met de grond gelijk maken, met duiven en al. Ik was hongerig naar wat de duiven beleefden. Zij verstonden de kunst van het beminnen, heel sereen en puur. En ik? Ik stond onthand en monddood aan de zijlijn. Ik keek toe, was jaloers en sloeg met mijn vuist op de muur van mijn kamer. Overdag preekte ik de sterren van de hemel – het was m’n lust en leven! Maar die nachten. Die lange, stille nachten. Geen warmte, no body. En als dan het morgenrood schaduwen op de muren van mijn kamer schilderde, knelde de strop om mijn nek. Ik heb veel tranen ingeslikt. Ik stond op, dankte God, trok mijn kleren aan en ging de deur uit. Op weg met de blijde boodschap!

Ik had veel vrienden en kennissen, ontmoette elke week veel mensen. Mensen prijsden mij gelukkig vrijgezel te zijn. Ik moet hen vaak ongelovig hebben aangekeken. Diep in mij knabbelde een rat aan mijn geluksboom. Die duiven. Dat verliefde stel. De warmte in een geloofsgemeenschap, als de Geest van God weer eens bijna tastbaar aanwezig was. Mijn diepe en onbeantwoorde hunkering naar de liefde van een mooie, lieve jongen was een bron van stil verdriet, als ik de wereld om mij heen zag opgaan in elkaars armen. Ik dacht dat het niet mocht. Niet voor een homo als ik.

Nu aanbid ik de lentes! Liefde is het meest pure en mooie, wat in een kille wereld als een deken kan worden uitgerold. Mijn geluk is door God vervolmaakt, door mij een wederhelft toe te vertrouwen. God trok de gordijnen open. Hij opende mijn ogen. Nu patwee-duivens zie ik dat de duiven altijd tegen mij hebben gepreekt. Ik zie het! Het leven is niet bedoeld om in isolement te vieren, maar juist in de gezamenlijkheid. In het samen-zijn, in de stilte van het opgaan in elkaars geluk, wordt het leven bekroond. Wie dit niet kent, zal het misschien verfoeien. Maar hier ontvlamt de kern van waar het hier op aarde om draait.

Het oude is voorbij, alles is nieuw. Liefde is niet langer een vloek, maar wat uit Gods barmhartige beker vloeit. Ik kan en mag liefde beleven, heel vertrouwd en warm. Laat mij een voorvechter zijn voor zoveel jongens en meisjes in ons land en (ver) daarbuiten, die zoeken naar hun identiteit. Zij verlangen intens naar een arm om hun schouder, extra handen om God te aanbidden en een hart om mee te vervlechten. Niets mag hen ervan weerhouden liefde te zoeken en te vinden.

Ik ga hun verhaal vertellen. Hun verhaal is mijn verhaal. We moeten het weten. Laten we verdriet ombuigen tot gelukstranen. Dan is het feest, hier op aarde en in de hemel!

 

[Zie https://johnlapretravels.wordpress.com/boeken/ om een vooraankondiging van m’n nieuwe boek (2017) over ‘Homo’s in de christelijke gemeente’ te lezen.]